ovel

Cactussen lagere taxa


Hoe de planten er in cultuur uit zouden zien was onbekend, en blijkbaar was er ook geen inzicht in de variatiebreedte en de grootte van liet verspreidingsgebied van deze nieuwe sulcorebutia. Derhalve willen we onze kennis hieromtrent hier weergeven en tevens de soort overeenkomstig ons inzicht ombenoemen tot variëteit van. Sormae (HJ 412) met een donker lichaam en zwarte doorns op de vindplaats nabij Estancia troja (Jucker) Afb. Sormae (HJ 412a) - een groene vorm van de cerro huanaco (Jucker) Afb. 3: Een bijna zwart uitziende. Sormae (HJ 1153) op de cerro huanaco quimray op meer dan 3900 m 3 Sulcorebutia azurduyensis Gertel, jucker de vries var.

veldnummers van de Tsjech Vladimir Šorma van zijn reis door Bolivia in de herfst van 2010, die hij samen met. Tegelijkertijd deelde šorma mee dat ze in de cordillera mandinga een nieuwe sulcorebutia hadden gevonden die in de lijst stond onder veldnummer vs vergelijking van de coördinaten toonde aan dat deze vindplaats al lang bekend was (RH 2407, g 332). De op te stellen nieuwbeschrijving van Gertel zou gebaseerd zijn op het materiaal verzameld onder veldnummer G 332. Als reactie op de informatie werd eind november aan Šorma gemeld dat de planten onder zijn veldnummer vs 1010 al lang bekend waren en dat de nieuwbeschrijving ervan als. Mandingaensis vrijwel was afgerond. Er was daarna geen contact meer. Verrassend was evenwel dat we eind januari 2011 het bericht kregen dat in het eerste nummer van jaargang 2011 van het Tsjechische tijdschrift kaktusy een nieuwbeschrijving zou staan van een. Sormae vervaardigd door Horáček. Op basis van verdere informatie kon vastgesteld worden dat het om de eerder genoemde planten met veldnummer vs 1010 ging en Gertel besloot zijn al in januari ingestuurde manuscript terug te trekken. Toen midden februari het tijdschrift uitkwam, bleek dat de beschrijving door Horáček slechts berustte op de marginale kennis van én populatie.

Sormae op zijn weg verder naar het zuiden vond Jucker nog meer sulcorebutia's (HJ 412, hj 418) die hij toen aanzag voor vormen van. Hij vond namelijk dat ze overeenkomsten vertoonden met de enkele dagen daarvoor in het noordelijk deel van de cordillera mandinga gevonden. Intensieve conditioner studie in cultuur aan het toentertijd verzameld plantenmateriaal brachten ons tot de overtuiging dat deze zuidelijke populaties duidelijk afwijken van. Ze vertoonden wel veel overeenkomsten met. Azurduyensis Gertel, jucker de vries (Gertel. In tegenstelling tot. Tarabucoensis en in overeenstemming met. Azurduyensis is het onderste deel van de bloemkeel niet violet van kleur maar gelig tot vrijwel wit. Een ander kenmerk dat ook. Azurduyensis bezit is het horizontaal openbarsten van de rijpe vruchten.

Snelheid van evolutie


1 sulcorebutia singapore azurduyensis var. Een nieuwe variëteit uit de zuidelijke cordillera mandinga, chuquisaca, bolivia willi gertel en Hansjörg Jucker toen Hansjörg Jucker in 1993 de cordillera mandinga van het noorden naar het zuiden doorkruiste, ontdekte hij een groot aantal voor die tijd onbekende sulcorebutia-taxa. Enkele daarvan waren zo afwijkend van de reeds beschreven soorten uit die omgeving dat ze als nieuwe soort konden duizelig worden opgevat. Dit kwam tot uitdrukking in de nieuwbeschrijvingen van. Juckeri gertel (Gertel 2004). Cantargalloensis Gertel, jucker de vries (Gertel. Kaart van het verspreidingsgebied van.

Cactus and Succulent Society guide to common


Zo groeit de fijnspar ( Picea abies ) in het noorden van Europa in het laagland, maar in de Alpen groeit de soort op grotere hoogte en daalt af in wat lagere koele kloven. Omgekeerd groeien zuidelijke laaglandsoorten meer naar het noorden op zonnige zuidhellingen. Steppeplanten trekken zich naar het westen terug op droge, warme kalk- en lösshellingen, en gelden daar als kalksoort wat in het centrum van hun areaal niet het geval. Areaalvorm en genencentra bewerken genetisch verwante taxa, zoals verwante soorten, ondersoorten of variëteiten, stellen vaak overeenkomstige eisen aan hun milieu, en hebben dan ook vaak vergelijkbare verspreidingsgebieden. Zo kunnen er in een bepaald gebied meerdere verwante soorten samen voorkomen, en vormen ze daar een genencentrum. 5 de genencentra kunnen het oorsprongsgebied aangeven van de taxa, maar niet noodzakelijkerwijs. De meeste taxa zijn geëvolueerd sinds het Tertiair en hebben sindsdien verscheidene klimaatveranderingen doorgemaakt, en daardoor verschuivingen van het areaal.

In gebieden waar geen duidelijke geografische barrières zijn hangen de property areaalgrenzen samen met andere factoren zoals het klimaat of, in mindere mate, met de bodem, waar de soorten minder bestand zijn tegen de concurrentie van andere soorten. 4 Bij het onderzoek aan arealen van plantensoorten is een verband gezocht met klimaatfactoren, hoewel een direct oorzakelijke verband niet zonder meer verwacht mag worden. Woestijnen kunnen door droogte of koude voorbeelden zijn voor door het klimaat veroorzaakte areaalgrenzen. Het klimaat heeft echter invloed op de concurrentie tussen de soorten, waardoor indirecte verbanden verwacht mogen worden. Veel planten kunnen buiten hun areaal vaak goed standhouden als de concurrentie met andere soorten wordt buitengesloten, bijvoorbeeld door te wieden in botanische tuinen.

De natuurlijke areaalgrenzen liggen daar waar concurrentiekracht van de soort zodanig is afgenomen dat de populaties zich niet meer kunnen handhaven. Oost-Europese soorten bereiken naar het westen vaak kun areaalgrens, waar ze niet meer kunnen concurreren met de daar inheemse soorten. Westelijke voorposten zijn soms nog te vinden op extreem droge groeiplaatsen, bijvoorbeeld op warme zuidhellingen met kalkbodem, waar minder concurrentie. De soorten zijn aan de rand van hun areaal daardoor vaak te vinden op voor de soort weinig karakteristieke groeiplaatsen. Er is een oecologische wetmatigheid van de biotoopwisseling en het relatieve gelijk blijven van de standplaats : als naar de grenzen van het areaal van een soort de klimatologische omstandigheden op een bepaalde wijze veranderen, dat kan er bij de soort een biotoopwisseling optreden. Biotoopwisseling houdt een veranderde voorkeur voor het biotoop in, waardoor de verandering in klimaat wordt gecompenseerd en de standplaatsfactoren min of meer constant blijven. Voorbeelden van biotoopwisseling zijn de soorten die na de ijstijd zich hebben teruggetrokken in de gebergten, waar het klimaat overeenkomt met het noordelijke klimaat.

Threatened cacti of mexico

Bij eilanden komt het verschijnsel van neo-endemisme soms duidelijk voor, zoals dat door Darwin (voor verschillende diersoorten) is waargenomen op de galapagos. Door adaptieve radiatie zijn op de verschillende eilanden weer nieuwe soorten ontstaan. Voorbeelden van neo-endemisme worden aangetroffen in de alpiene dalen bij veel soorten van de geslachten sleutelbloem ( Primula ), gentiana, mansschild ( Androsace ), steenbreek ( Saxifraga ) grijze en Daphne. In het algemeen kunnen meer endemen er verwacht worden naarmate een eiland of een andere gebiedje geografisch langer geïsoleerd is geweest. Bij de beoordeling van de arealen is de soortopvatting van groot belang. Het areaal is groter als de soort ruim wordt opgevat, maar bij een nauwe soortopvatting zijn de arealen van de bijbehorende taxa kleiner. Areaalgrenzen en klimaat bewerken de grenzen van verspreidingsgebieden liggen vaak bij geografische barrières, zoals gebergteketens, of ze vallen samen met de zeekusten.

Agaves of Arizona, cactus and Succulent journal

Hierdoor zijn bijvoorbeeld kosmopolitische families algemener dan treatment kosmopolitische geslachten. Voorbeelden van kosmopolitische families zijn de poaceae (Gramineae) en de Asterceae (Compositae), die vrijwel over de gehele wereld te vinden zijn. Veel micro-organismen zijn kosmopolitisch, en ook enkele sporenplanten als parapluutjesmos ( Marchantia polymorpha ), zilvermos ( Bryum argenteum ), gewoon dikkopmos ( Brachythecium rutabulum ), gesnaveld klauwtjesmos ( Hypnum cupressiforme ), heermoes ( Equisetum arvense ), moerasvaren ( Thelypteris palustris ) en adelaarsvaren ( Pteridium. Ook kosmopolitisch zijn veel water- en moerasplanten ( klein kroos, grof hoornblad, lidsteng, riet, galigaan ) en akkeronkruiden als straatgras, paardenbloem, melganzenvoet en grote weegbree. Bij endemen is het areaal betrekkelijk klein. Er kunnen verschillende typen van endemisme worden onderscheiden: neo-endemisme en paleo-endemisme. Bij paleo-endemisme is het areaal van het taxon een relict of overblijfsel van een oorspronkelijk veel groter areaal; het gaat hier om een uitstervend taxon. Bekende voorbeelden van tegenwoordig op veel plaatsen in cultuur genomen soorten, die in hun oorspronkelijke areaal als relict zijn te beschouwen, zijn mammoetboom ( Sequoiadendron giganteum ), japanse notenboom ( Ginkgo biloba ), watercipres ( Metasequoia glyptostroboides ). Bij neo-endemisme is het taxon is betrokken in het evolutionaire proces van soortvorming.

De waarnemingen kunnen in een aaneengesloten gebied liggen, maar soms ontbreken waarnemingen in tussengebieden waar het geschikte biotoop voor de soort niet aanwezig of niet aangetroffen. Een voorbeeld vormen de kalkmijdende soorten, die ontbreken in kalkgebieden. Vaak zijn er buitenposten en exclaves van enkele waarnemingen buiten het gebied van waar de soort vooral voorkomt of gaat het om disjunct verspreidingsgebieden, waar de waarnemingen in twee of meer onderling geografisch gescheiden gebieden liggen. Zo komt het geslacht eik quercus ) zowel voor in, europa als. Grootte van arealen bewerken de grootte van de verspreidingsgebieden van planten varieert rapunzel sterk, van verspreid over alle continenten tot een klein, beperkt gebied. 3 Als het areaal van een taxon (bijvoorbeeld van een familie, geslacht of soort ) zich uitstrekt over alle continenten, dan heeft het betreffende taxon een kosmopolitische verspreiding. Als een taxon voorkomt in een beperkt gebied, spreekt men van endemisme (endemie) en wordt het betreffende taxon een "endeem" genoemd. In het algemeen zijn de arealen van geslachten groter dan die van de soorten, en die van de families weer groter dan die van de daartoe behorende geslachten.

Cactus verzorging - 123kamerplanten)

Plantengeografie, floristische geobotanie of areaalkunde is de platinum studie van de verspreidingspatronen van planten en van de floristische inventaris van gebieden. 1, de grootte van de arealen van soorten kunnen verklaard worden op grond van historische factoren ( continentverschuiving, ijstijden, evolutie, uitsterven ) en fysisch-geografische factoren (klimaat, gebergtebarrières, zeekusten). Bepaling van plantenarealen bewerken, om inzicht te krijgen in het verspreidingspatroon of arealen van planten kunnen er, aan de hand van gegevens in flora's en van herbaria, verschillende methodes gevolgd worden. 2, men kan stippenkaarten maken voor zeldzamere soorten en voor algemenere soorten in gebieden waar ze zeldzaam zijn door de gedocumenteerde vindplaatsen op een kaart te zetten. Daarna kan men de gebieden afgrenzen door met een lijn de buitenste punten te verbinden. In gebieden waar de soorten algemeen zijn, kan men de gebieden arceren, en eventueel dunner arceren waar de soorten minder frequent voorkomen. Door het gebruik van een raster op een kaart kan men aangeven in welke rastercellen of "hokken" de soort tenminste énmaal voorkomt, eventueel met verschillende symbolen om bijvoorbeeld aan te geven wanneer de soort voor het laatst gevonden is in het betreffende hok. Op verschillende websites zijn er databases waarin gegevens van waarnemingen van soorten met hun coördinaten kunnen worden ingevoerd en worden opgenomen, vaak na enige controle van de aard van de gegevens door de beheerders van de database.

Cactussen lagere taxa
Rated 4/5 based on 633 reviews